Sabine Overtoom en Martijn Sillevis (*1)


ARME RIJKEN
Over emotionele verwaarlozing in sociaal-economisch hogere milieus

A. (toen 12) zit op zijn kamer en maakt huiswerk. Rond de klok van vijf hoort hij het kraken van het kastdeurtje waarachter de drank zich bevindt. Hij gaat snel naar beneden om zijn moeder af te leiden. Het gebeurt ook regelmatig dat A. te laat komt en zijn moeder laveloos naar bed brengt. Zijn vader is nooit thuis. s'Avonds moet hij werken, zaterdag wordt er wijn geproefd en zondags de hele dag gehockeyd.
A.(nu 40, internist) heeft last van zwaarmoedige buien, slaapt slecht, heeft een negatief zelfbeeld en heeft eigenlijk geen bezigheden, naast zijn werk, voor zichzelf.

Sabine Overtoom werkte een paar jaar in het socio-therapeutisch instituut De Triangel in Amsterdam. In De Triangel worden gezinseenheden, ook wel ‘multi-problem-gezinnen’ genoemd, opgenomen. Zij kreeg daar te maken met alle mogelijke vormen van kindermishandeling en -verwaarlozing. De mensen die in De Triangel worden opgenomen komen met name uit de sociaal-economisch lagere milieus.

In haar huidige praktijk voor psycho-sociale therapie, gevestigd in het Gooi, kan Overtoom vooral mensen uit de sociaal-economisch hogere milieus tot haar cliënten rekenen. Ondanks de verschillen tussen beide milieus werd zij getroffen door de gelijkenis aan problemen en gevoelens. Verlating- en bindingsangst, eenzaamheid, woede en verdriet. In de literatuur is zij tot dusver weinig casebeschrijvingen tegengekomen van kindermishandeling en –verwaarlozing in de sociaal-economisch hogere milieus.(*2) Deze vorm van mishandeling en verwaarlozing is misschien minder zichtbaar, beter verstopt achter hoge muren van welstand. Bovendien laten deze milieus zich niet graag portretteren, zeker niet als het de minder fraaie kanten betreft. Daarnaast rust er een taboe op het feit dat rijke mensen ook kunnen lijden aan psychische problemen. Je zou kunnen spreken van beschavingsblindheid, zowel bij henzelf als bij anderen in de samenleving.

Martijn Sillevis heeft als maatschappelijk werkende in de eerstelijns hulpverlening gewerkt in een 19e-eeuwse wijk in Amsterdam. Nu houdt zij zich als sociaal wetenschapper bezig met ‘sociale erfenissen’ (meegewerkt aan ‘Van huis uit’ van Brinkgreve en Van Stolk, 1996). De belangrijkste vragen die zij hierbij stelt zijn welk kapitaal mensen meekrijgen van hun ouders en wat ze zelf doorgeven aan hun eigen kinderen. Zij bestudeert sociale verschijnselen in historisch-sociologisch perspectief.

Vanuit deze twee invalshoeken is dit artikel geschreven. Het wil een aanzet zijn tot beschrijving van kindermishandeling en –verwaarlozing in sociaal-economisch hogere milieus.

Uit onderzoek is gebleken (onder andere Van Daalen, 1990) dat kindermishandeling en –verwaarlozing in alle sociaal-economische milieus voorkomt. We sluiten hierbij aan en gaan er voorlopig vanuit dat er geen milieugebonden verschillen zijn. Een knal voor je kanis of een draai om je oren doen allebei pijn.

We beperken ons tot emotionele mishandeling en verwaarlozing door verwenning omdat Overtoom deze vorm van mishandeling hoofdzakelijk in haar praktijk tegenkomt. Dit betekent niet dat iedereen uit een sociaal-economisch hoger milieu dit meemaakt. We beschrijven mensen uit die groep die uiteindelijk hulp hebben gezocht.

Bij emotionele mishandeling gaan we uit van de door dr. A. Koers gegeven omschrijving, namelijk dat het kind zich voortdurend in een vijandige en afwijzende sfeer bevindt: 'Het kenmerkende van emotionele mishandeling is dat het kind bij herhaling, onvoorspelbaar en onverwachts, telkens onderuit gehaald wordt '(p. 38). Dit gebeurt met name door paradoxale en/of incongruente boodschappen. Je zou dit ook communicatief geweld kunnen noemen. De ouders gebruiken de communicatie voornamelijk om hun macht te handhaven (betrekkingsniveau). Kijken en luisteren naar wat het kind werkelijk beweegt (inhoudsniveau) staat deze vorm van communicatie in de weg. Tegen emotionele mishandeling kan je je moeilijk verweren. Je voelt dat er iets mis is, maar je weet niet wat. Woorden en ervaringen schieten tekort om een antwoord te hebben op deze paradoxale communicatie. Deze manier van communiceren breekt je persoonlijkheid. Er ontstaan onzichtbare verminkingen. Bij emotionele mishandeling is het moeilijk om de vinger op de zere plek te leggen.

Als ouders aandacht en liefde voor hun kinderen voornamelijk in een overdadige materiele vorm gieten spreken we van emotionele verwaarlozing door verwenning. Gebrek aan werkelijke aandacht en betrokkenheid probeert men af te kopen.

Wij zijn als volgt te werk gegaan. We hebben cliënten en bekenden, komend uit een sociaal-economisch hoger milieu, benaderd voor dit artikel. In totaal is bij zeven mensen een uitvoerig interview afgenomen aan de hand van een genogram. Dit materiaal hebben we aangevuld met participerende observatie en informele gesprekken met andere mensen uit dit milieu. Het betreft mensen die nu tussen de dertig en vijftig jaar oud zijn en in hun jeugd geleden hebben onder emotionele verwaarlozing. Daarnaast heeft Overtoom gesprekken gevoerd met collega-psychotherapeuten, twee jeugdartsen, een orthopedagoog en twee schooldirecteuren (basisonderwijs en voortgezet onderwijs).

We beginnen met een schets te geven van de jeugd van deze mensen. Vervolgens maken we een sprong in de tijd en willen we laten zien hoe hun leven er nu uitziet en met welke problemen ze te kampen hebben.

JEUGD

De jeugd van de respondenten ligt tussen het begin van de jaren vijftig tot het eind van de jaren zestig. De beroepen van de ouders geven een indicatie van de sociaal-economische omstandigheden, waaronder het kind opgroeit. Onder de vaders zijn twee arts-specialisten, een grondstofinkoper bij een luchtvaartmaatschappij, een hoogleraar, een psychiater, een directeur bij een multinational en een directeur bij een bank. Onder de moeders zijn een verpleegster en een apotheker. Twee moeders hebben een paar jaar gestudeerd, medicijnen en rechten, en zijn daarna getrouwd en gestopt met hun studie. De anderen zijn huisvrouw. (*3) Binnen het hoger sociaal-economisch milieu zijn aanzienlijke verschillen waar te nemen tussen een industrieel, een intellectueel of een medisch milieu. Ondanks deze verschillen werden wij getroffen door een aantal opvallende overeenkomsten. Deze overeenkomsten zijn naar ons idee zo duidelijk dat we voor dit artikel één beeld willen schetsen van de jeugd van deze mensen.

Het “ideaal-typische” gezin, waarin de respondenten opgroeiden, woonde in een groot huis (soms meerdere) en er was voldoende personeel voor alle klussen in en rond het huis en voor de kinderen.

De vader werkte hard en was meestal afwezig, ook 's avonds en 's nachts. Het idee dat de respondenten zich gevormd hebben omtrent het vaderschap is er één van afwezigheid. Zowel fysieke afwezigheid bij een vader die weinig thuis was, als intellectuele afwezigheid bij een vader die voortdurend achter de boeken of de krant verscholen was. Dat was het voorbeeld om zich aan te spiegelen of juist tegen af te zetten. De welvaart die het gezin van herkomst ervoer was onder andere te danken aan deze afwezigheid. De bereikte welvaart maakte het mogelijk dat deze afwezigheid vaak afgekocht werd met grote cadeaus. Voorbeelden zijn een auto bij het slagen voor het eindexamen, een paard, een boot, een brommer of een geluidsinstallatie. Een uitzondering hierop vormde het hoogleraarsgezin. Hier werd de nadruk meer gelegd op immateriële zaken, bijvoorbeeld het mee mogen naar concerten of met culturele uitstapjes, zoals een reisje naar Parijs. En voor de muzieklessen van de kinderen werd de beste muziekleraar en het mooiste instrument gezocht.


De moeder had het ook druk, met het managen van het personeel, het huis en de tuin of met andere, meestal onbezoldigde bezigheden. Aansluiting bij gelijkgestemden werd gezocht in clubs en sportieve aktiviteiten, zoals golfen en bridgen. Een aantal moeders van onze respondenten was problematisch aan de drank en de pillen en was depressief. Door de afwezige vader en een afwezige of hulpbehoevende (dronken) moeder trad parentificering op, dat wil zeggen dat één van de kinderen zich genoodzaakt voelde om de rol van vader of moeder over te nemen (Minuchin, p. 133, 1973).

Het kind zag de ouders dus weinig en werd in feite opgevoed door een kindermeisje. Je zou zelfs kunnen spreken van een 'ouderloze opvoeding'. Het kind ontving aandacht, liefde, zorg en affectie van de ouders in de vorm van voornamelijk materiële zaken. De dagelijkse zorg en het lijfelijke contact werd overgenomen door het personeel. Het contact met de oudere kinderen vond plaats op de momenten en in de vorm die de ouders bepaalden, zoals tijdens het golfen, tennissen, vliegen of jagen.

Hun afwezigheid en het gebrek aan affectie probeerden de ouders te compenseren door het kiezen van de duurste en beste opleidingen voor het kind. Daarbij was de druk om te presteren heel groot, geld voor bijlessen was geen probleem. Ouders verwachtten dat hun kinderen zouden gaan studeren en later promoveren, dat ze het landgoed zouden beheren of het familiebedrijf zouden overnemen. In ieder geval mochten de kinderen hun intellectuele vermogens en talenten niet ongebruikt laten. Ze móesten leren, ze móesten musiceren of uitblinken in een sport. Twee geaccepteerde uitwegen om onder deze druk vandaan te komen was het kiezen voor de kunst of het hebben van een (lichte) handicap, of zoals Pittman in zijn artikel 'Children of the rich' beschrijft: 'This may actually not be a totaal undesirable fate for a rich kid. (.... ) Rich kids may exaggerate the slightest of defect in order to attain that safe position of competative invalid. Psychosomatic condition, allergies and learning disabilities are parlicular popular' (1985).

Als kinderen bleven zitten, gedragsproblemen hadden op school of op een andere manier niet aan deze hoge verwachtingen konden voldoen was er altijd nog de uitweg van een kostschool. Ook het verblijf in het buitenland van ouders kon een reden zijn om kinderen naar een kostschool te sturen. Kinderen ervoeren dit op verschillende wijzen. Voor één respondent betekende de kostschool een verademing en verlossing van de klemmende situatie thuis. Zo hoefde hij niet langer met zijn vader mee naar zakenafspraken, waarbij hij in de auto achtergelaten werd en moest wachten tot zijn vader klaar was. Of thuis zijn moeder van de drank zien af te houden.

Een aantal anderen had enorme heimwee en kende intense gevoelens van eenzaamheid. Weer anderen schaamden zich voor hun ontevreden gevoel, want mijn ouders hadden het beste met me voor' en 'het was voor mijn eigen bestwil'.

Vaak zaten deze kinderen opgesloten in hun schaamte, ze durfden zich niet te uiten. Er waren ook verwarrende gevoelens over hun ouders, zoals tegelijkertijd bewondering voor vader die zo hard werkte en zoveel verdiende en boosheid over het feit dat ze naar kostschool gestuurd werden.

Problemen van psychische aard waren (en zijn) in dit milieu echter taboe en werden daarom gemedicaliseerd. 'Ik luisterde nooit, zat altijd maar te dromen, mijn moeder dacht dat ik iets aan mijn oren mankeerde' of 'ik plaste tot en met mijn twaalfde nog in mijn bed, ze dachten dat ik een zwakke blaas of zoiets had' of ... ‘en eten, ho maar, muizenhapjes, meer niet, mijn ouders dachten dat ik iets aan mijn maag had, maar ze konden niks vinden'. Dus werd het kind meegenomen naar de KNO-arts, naar de uroloog of de internist in het beste ziekenhuis, desnoods werden specialisten in de Verenigde Staten geconsulteerd. Indien de reguliere gezondheidszorg geen oplossing te bieden had voor de problemen gingen ouders te rade bij de alternatieve geneeskunde, meestal beginnend bij de klassiek homeopathische arts.

Het rijke kind groeide op zonder materiële zorgen. The struggle for high life bij de rijken bestond eruit dat de status en traditie gehandhaafd moest worden. Dat wil zeggen dat het gezin of familie niet buiten de traditie of de club van gelijkgestemden mocht vallen. Ouders staken veel tijd in het onderhouden van hun contacten door lid te zijn van allerlei clubs en verenigingen waar de juiste mensen rondliepen. Deze clubs fungeerden vaak als 'thuis' en er werden hele dagen of weekeinden doorgebracht. Collectiviteit ging boven individualiteit. Dit was ook terug te zien in de kledingkeuze en het soort auto's waarin men reed.

Deze nadruk op uiterlijkheden leek ook in bredere zin een belangrijke boodschap te zijn in deze groep. Het betrof dan vooral de houding van de ouders ten opzichte van hun kinderen. Eén van de respondenten verwoordde dat als volgt: 'ik haatte die colbertjes en dasjes, altijd moesten we opdraven op feesten en partijen. Ik voelde me een gebruiksvoorwerp, ik was er om mee te pronken'. Het uiterlijk vertoon stond hoog in het vaandel. Dat is op zich niet specifiek voor dit milieu, maar wel hoe het hier zichtbaar wordt. Het gaat, met andere woorden, om de specifieke vormgeving van het belang van uiterlijkheden in dit milieu. Bij deze vormgeving moet ons inziens vooral gedacht worden aan de etiquette en een grote mate van gevoelsbeheersing. Het ging er niet om wie de kinderen waren en wat ze wilden en konden, maar of ze het beeld dat de ouders van zichzelf opgebouwd hadden bevestigden, of op zijn minst niet verstoorden. Het accent lag op hoe je eruit zag, hoe je je gedroeg en uit welke familie je kwam en niet op wie je eigenlijk was. Bij de intellectuele gezinnen zien we het tegenovergestelde. Hier ging het er juist om wie je eigenlijk was en werd het uiterlijk eerder verwaarloosd dan benadrukt.

Het welzijn van het kind werd opgeofferd aan de noden van de ouders. De eigen behoeften van het kind (autonomie) werd zo een niet toegestaan deel in de relatie. Het kind gaf zijn autonomie op ten behoeve van de verbondenheid (R. en S. Bouwkamp,1995). Eén van de respondentes vertelde bijvoorbeeld dat zij zich aan tafel altijd strikt aan de etiquette moest houden en regelmatig terugkerende uitspraken van haar vader waren: 'Children are not to be seen and not to be heard' en ´just talk when you have to say something'. De creatieve uitwegen die kinderen zochten werden niet altijd begrepen, laat staan gewaardeerd. Eén vrouw schreef als kind verhaaltjes, die haar moeder interpreteerde als verzonnen, dus als leugens en zij werd daarvoor gestraft. Een ander schreef kleine gedichtjes, die ze bij haar moeders bed neerlegde. De enige reactie van haar moeder was dat ze de gedichtjes teruggaf met verbeteringen, aangebracht met rood potlood. Andere uitingsvormen die we hebben aangetroffen bij deze kinderen zijn muziek en tekenen. Om zichzelf zekerheid en steun te geven creëerden een aantal kinderen een ingebeeld vriendje of een God.

Genderverschillen

Uit de verhalen van de respondenten blijkt dat de jeugdervaringen van jongens en meisjes aanzienlijk verschillen. De verwachtingen en de opvoedingsintenties ten aanzien van jongens en meisjes, zeker in de jaren vijftig en zestig, waren dan ook zeer verschillend. Om ordening aan te brengen in de verschillende waarden en normen die men bij het opvoeden probeert over te brengen maken we gebruik van het begrippenkader van Bourdieu (1985). Hij onderscheidt drie soorten kapitaal. Op de eerste plaats 'economisch kapitaal', dit kapitaal wordt gevormd door goederen en geld. Op de tweede plaats ‘cultureel kapitaal', dit betreft zaken als opleiding (diploma's), smaak, stijl, muziek, omgangsvormen en dergelijke. En op de derde plaats noemt Bourdieu ‘sociaal kapitaal', dat gevormd wordt door relaties en netwerken. Een andere vorm van kapitaal die in dit verband ook wel genoemd wordt is 'fysiek kapitaal', zoals schoonheid en kracht (Brinkgreve en Van Stolk, p. 22/23, 1996). Luisterend naar de verhalen van de respondenten blijkt dat bij de meisjes de nadruk gelegd werd op cultureel en fysiek kapitaal en dat voor de jongens meer een mix was weggelegd.

Bij de meisjes was het uiterlijk heel belangrijk: goed gekleed en gekapt door het leven was een eis. Daarnaast waren er hoge verwachtingen wat betreft schoolprestaties. Deze kwamen niet direct voort uit hoge verwachtingen omtrent intelligentie, maar lagen meer op het vlak van ijver, vlijt en plichtsbesef. Naast school werd er veel tijd ingeruimd voor muzieklessen, balletlessen en dergelijke. Wat opvalt is de bescherming die meisjes ten deel viel. Ze werden gebracht en gehaald, door moeder, de oppas of de chauffeur, die toch op weg moest om vader naar zijn werk te brengen. Naast deze traditionele vrouwelijke patronen waren veel dochters 'het meisje van papa', papa's oogappel. De vader zocht emotionele steun bij zijn dochter in plaats van bij zijn vrouw. In een aantal gevallen zouden we zelfs kunnen spreken van ‘emotionele incest'. Zo moest bijvoorbeeld één van de vrouwen die we gesproken hebben regelmatig, tegen haar zin, met haar vader dineren bij kaarslicht. Zij moest luisteren naar verhalen die niet pasten bij haar leeftijd (toen 13 jaar) en psychosociale rijpheid. Maar liever deze aandacht dan helemaal geen aandacht (Koers, p.24, 1981).

De jongens lijken meer opgevoed te zijn met een combinatie van de drie kapitaalsoorten. Uiteraard was cultureel kapitaal voor de jongens van levensbelang. Ook zij moesten zich weten te kleden en gedragen, om nog maar te zwijgen van een goede opleiding. Alleen het doel waartoe deze waarden overgebracht werden lijkt een ander dan dat voor de meisjes. De jongens leerden om te presteren, om net zo te worden als hun vader, daartoe diende ook de opleiding. Er werd van ze verwacht dat ze het familiebedrijf overnamen, gingen studeren en promoveren of een goede commerciële baan zouden vinden. Vader tegen enige zoon: 'Je moet zelf kiezen welke opleiding je gaat doen. Als je maar weet dat je met een kunstacademie ons familiebedrijf niet in stand kunt houden, waardoor al mijn inzet en die van je grootvaders voor niets is geweest'. Hier komt het belang van het economisch kapitaal en sociaal kapitaal om de hoek kijken. Net als de meisjes werden de jongens in het toen nog geldende rollenpatroon opgevoed.

Een overkoepelende punt bij bovengenoemde onderwerpen is de communicatie tussen ouders en kinderen.

Zoals in de inleiding al genoemd is, is één van de kenmerken van emotionele mishandeling een vorm van communicatief geweld. Hierbij moet gedacht worden aan incongruente boodschappen en/of paradoxale communicaties, waar het kind voortdurend mee geconfronteerd werd en wordt. De ouders uit dit milieu zijn over het algemeen verbaal goed ontwikkeld en slaan daarmee hun kind vaak om de oren. Tot op de dag van vandaag hebben deze kinderen van toen daar nu nog last van. Voorbeeld van zo’n dubbele boodschap is de volgende situatie: vader en moeder en een zus van zestien zitten in de woonkamer. Zoon van achttien komt binnen en vraagt of hij uit mag. Moeder antwoordt: ‘Ga gerust jongen, onze avond is toch al verpest. Met z’n drieën kan je nu eenmaal niet bridgen’. Dit verhoogt bij het kind het 'niet-voldoe-gevoel' ('zie p. 9). Deze vorm van pressie zou je ook gevoelschantage kunnen noemen. Het is onmogelijk om je aan communicatie te onttrekken, of zoals Watzlawick (1975) het uitdrukt: je kan niet niet communiceren' (p. 42). Een draai om je oren is misschien nog te ontwijken, maar aan communicatief geweld is het moeilijk ontkomen. Er ontstaan patronen, die jarenlang stand kunnen houden en waarvan de communicerende partijen zich niet of nauwelijks bewust (behoeven te) zijn.

Een laatste punt dat we hier willen bespreken is de huwelijksmoraal in dit milieu. De meeste ouders van de respondenten hadden een minnares of een minnaar. Scheiden was echter 'not-done'. De kinderen (respondenten) voelden vaak de eenzaamheid van de ouders aan en fungeerden niet zelden als partner/sub-ouder voor één van hen (parentificering). Kinderen kregen daarbij verhalen te horen over bijvoorbeeld buitenechtelijke relaties, met het uitdrukkelijke verbod om hier met de andere ouder over te praten. Loyaliteitsconflicten waren het gevolg. Een vrouwelijke respondent vertelde: 'Van mijn vader kreeg ik met Kerst, Sinterklaas en mijn verjaardag altijd zijden ondergoed. Hij maakte indecente opmerkingen over mijn figuur. Hij vertelde me over zijn escapades met zijn secretaresse, maar ik mocht daar onder geen beding met mijn moeder over praten. Wanneer we met de familie samen waren schold hij mijn moeder uit of zat pontificaal aan haar borsten. Op zulke momenten kon ik wel door de grond zakken'.

Somatiseren om de aandacht van de ouders van zichzelf af te leiden en te binden in hun bezorgdheid voor hun kind is ook in dit milieu een bekend mechanisme.

We zien dat, als deze jongens en meisjes volwassen zijn geworden, een aantal bezwijkt onder het leven dat voor hen zo gewoon was en zij gewend waren. Door de problemen die deze mensen nu ondervinden worden zij zich bewust van het verborgen leed van toen. Hoe leven deze kinderen nu, anno 1999, als volwassenen?

HEDEN

De respondenten hebben, naast het verhaal over hun jeugd, nog een paar zaken gemeen. Over het algemeen zijn ze goed in sociale vaardigheden en hebben duidelijk een brede algemene ontwikkeling. Ze bewegen zich sociaal en gemakkelijk in allerlei groepen.

De kinderen van toen hebben inmiddels de volgende beroepen (*3) gekozen: een aantal artsen, een psychologe met eigen praktijk, een kunstschilder en fotomodel, een diëtiste, iemand met een eigen adviesbureau, een psychotherapeut en een fysiotherapeut. Onder hen zijn drie personen van adellijke afkomst.
De problemen waar deze sociaal-economisch bevoordeelde kinderen nu als volwassenen mee kampen zijn vergelijkbaar.

Zoals al gezegd hebben veel mannen moeite met het vormgeven van het vaderschap, omdat ze zelf een voorbeeld van een afwezige vader hebben gehad. Je zou kunnen zeggen dat het affectief onvermogen van hun eigen vader op hen is overgedragen. De welstand maakt het hen mogelijk om dit affectief onvermogen (tijdelijk) onzichtbaar te maken door het te compenseren met grote cadeaus.

Een ander vergelijkbaar punt is dat de respondenten moeite hebben met het aangaan van en gestalte geven aan intieme contacten. De relaties zijn kortstondig. De meeste respondenten zijn gescheiden of hebben geen langdurige relatie gehad. De contacten die er wel zijn zijn oppervlakkig en gericht op het behouden van de tradities en kennen weinig diepgang of intimiteit. Voor een deel valt dit te verklaren uit de vele verhuizingen die sommigen in hun jeugd hebben meegemaakt (één van de respondenten is tien keer verhuisd voor zijn negentiende jaar, waaronder naar vier verschillende buitenlanden). Voor een ander deel valt dit verklaren uit de affectieve verwaarlozing die deze mensen in hun jeugd hebben ervaren. Hierdoor hebben zij moeite met het toelaten van anderen in hun nabijheid.

We troffen haren uittrekken (trichotillomania), nagelbijten, eczeem en openkrabben van de huid (neurotische excoriaties) aan. Deze ontwikkeling van tics en dwanghandelingen zou een gevolg kunnen zijn van de onuitgesproken prestatiedruk van de ouders en/of het vele verhuizen, om op die manier een eigen regelmaat in het leven aan te brengen en angstgevoelens te ontwijken of onder controle te krijgen.(*4)

Een vierde overeenkomst is het gevoel gefaald te hebben door niet aan de hoge verwachtingen van de ouders voldaan te hebben. De eigen identiteit en de drive in het leven om dingen te doen en te bereiken zijn onderontwikkeld. Ook Pitttman gaat hier uitgebreid op in: 'But there is also among the rich a significant level of functional incompetence. The need to function is not so pressing. Rewards are independent of functioning. Survival and comfort are assured whether they function or not' (p. 462). Dit kan tot een alomvattend 'niet-voldoe-gevoel' leiden. De meeste respondenten hebben verschillende opleidingen (half') achter de rug en hebben diverse soorten banen gehad. Ook sportieve kwaliteiten kunnen te lijden hebben onder te hoge verwachtingen of ouderlijke pressie: 'Mijn vader stond altijd te brullen langs de lijn, als ik scoorde kreeg ik geld, ik schaamde me dood'. Het 'niet voldoe-gevoel' wordt versterkt door de schijnbaar onoplosbare medische problemen in de jeugd, die we hierboven aangestipt hebben, en die in de volwassenheid voortduren. Veel respondenten hebben last van depressies.

Een vijfde punt dat als mogelijk gevolg van een rijke en verwaarloosde, maar ook overbeschermde opvoeding, aangemerkt kan worden is een vorm van wereldvreemdheid. Sommige van de respondenten bleken erg veel moeite te hebben met het uit huis gaan en zelfstandig gaan wonen. Omgaan met geld, een eigen huishouding voeren en bijvoorbeeld zelf vervoer regelen hadden ze niet geleerd en weinig voorbeelden van gezien. Wat voor de meeste mensen 'gewone' handelingen zijn, zoals pinnen, typen of autorijden bleek voor een aantal mensen grote problemen op te leveren of men deed het gewoon niet: 'daar heb je toch iemand voor?' Of zoals Brinkgreve en Van Stolk zo mooi in 'Van huis uit' beschrijven: 'Het isolement van Van Loon als opgroeiende jongen was schrijnend. Tot zijn achttiende was hij nooit alleen op straat geweest. Hij werd door de chauffeur gehaald en gebracht. Zijn vader was bang dat hij gekidnapt zou worden. Met schoolreis mocht hij alleen mee als hij begeleid werd door zijn Engelse kinderjuffrouw. Hij ging studeren in Utrecht. "Toen ben ik voor het eerst zonder geleide het hek van de tuin uitgelopen. Met tweehonderd gulden op zak. Ik had nog nooit een cent op zak gehad. Als iemand me tien gulden voor een borrel had gevraagd had ik het ook betaald. Ik had geen idee wat geld waard was” '(p. 37). Een groot aantal van de respondenten maakten een psychotische periode door toen een beroep gedaan werd op hun volwassenheid en zelfstandigheid en zijn onder psychiatrische behandeling geweest. Andere respondenten doorlopen het traject studeren, baan, partner en kinderen, een mooi huis en lid van de juiste club, maar krijgen dan op hun veertigste een onuitputtelijke hang naar iets nieuws en anders. Ze kennen daardoor weinig consolidatie. Zonder innerlijke reflectie zijn ze van het ene beschermde nest in het andere gerold. Wat de reflectie ongevraagd ten goede komt is het ervaren van een ernstige crisis. Dit kan bijvoorbeeld het doormaken van een ernstige ziekte zijn, het overlijden van een dierbare of een scheiding. Dit dringende appèl op het eigen gevoel doet reflecteren en vaak inzien dat het daar lang aan geschort heeft. De stap naar de hulpverlening is dan niet zo groot meer.

Zowel in geval van emotionele mishandeling als emotionele verwaarlozing door verwenning wordt de integriteit van het kind aangetast en de waardigheid van het kind genegeerd of verworpen. Zoals hierboven is beschreven kan dit gevoelens van onzekerheid, minderwaardigheid, falen, eenzaamheid, verdriet en boosheid oproepen. Ook verlating- en bindingsangst zijn voorkomende gevoelens, die hiervan het gevolg kunnen zijn. Deze gevoelens kunnen weer hun weg vinden in gedragingen als automutulatie, dwanghandelingen, verslavingen, stelen en verzameldrift. Onafgemaakte opleidingen, veel wisselingen van werk en afgebroken relaties is een beeld dat deze emotioneel mishandelde kinderen in hun latere leven te zien geven. Het problematische karakter van de verwerking van deze vorm van kindermishandeling zit voor een deel in de moeilijke herkenbaarheid, zowel voor de persoon zelf als voor de buitenwereld. Op deze vorm van kindermishandeling is moeilijk de vinger te leggen. Deze kinderen hadden toch immers alles mee….?

Natuurlijk overkomt niet iedereen, die uit een sociaal-economisch bevoordeeld milieu komt, dit. Gelukkig zijn er genoeg mensen die met een dergelijke opvoeding geen onoverkomelijke problemen in hun leven hebben. En een flink deel zal er zelfs zijn voordeel mee weten te doen.

Wat we hebben willen laten zien is de enorme eenzaamheid die schuil kan gaan achter het makkelijk sociaal bewegen in de wereld en de géne die hiermee gepaard kan gaan: ze hebben immers niks te klagen?! Daardoor kan het soms erg lang duren voordat problemen herkend en erkend worden. Om zichzelf serieus te nemen en gehoord te worden moet er hard geroepen worden in de woestijn ...............


*1) Wij zijn dank verschuldigd aan de respondenten en anderen die ons met hun deskundigheid hebben bijgestaan. Met name danken we Christien Brinkgreve voor haar kritische en opbouwende commentaar.
*2) Er is wel literatuur over dit onderwerp uit deze tijd (zie bijvoorbeeld Schöttelndreier en Zöllner, 1995).
*3) Om de anonimiteit te waarborgen hebben we kleine veranderingen aangebracht in de beroepen.
*4) Verlating- en bindingsangst en tics en dwanghandelingen vind je ook bij geadopteerden, kinderen van gescheiden ouders en kampslachtoffers. Zie Van Egmond (1987).

(februari 1999)


Mental Business